Invulling van de 40-urige werkweek

Dit is het tweede deel in de serie ‘Druk de werkdruk in het onderwijs’.

Minder regels en meer ruimte voor de scholen: zo’n cao hadden de sociale partners voor ogen. Echt gelukt is het niet, de nieuwe cao staat nog vol voorschriften. “In het schooljaar 2015 – 2016 moeten alle afspraken uit de cao worden toegepast. De omzetting naar de 40-urige werkweek zal dan ook per 1 augustus 2015 plaatsvinden. De voorbereiding van het schooljaar 2015 – 2016 moet al wel aan de hand van de nieuwe afspraken, waardoor teams nu al in gesprek moeten over de invulling van de 40-urige werkweek.”
Drie zinnen uit het overzicht vragen en antwoorden van de AOb met drie keer het woord moeten.
Maar, hoe meer voorschriften er zijn, des te meer vragen erover worden gesteld. “Mogen we” of “mag dat” wordt mij regelmatig gevraagd. Mijn standaardantwoord is dan: dat mag, zolang jullie het er samen maar over eens zijn.

Wat staat er in de cao?

De minimale betrekkingsomvang voor nieuwe dienstverbanden vanaf 1 augustus 2015 is 8 uur met een werktijdfactor 0,2. Het eenvoudigste model voor een 40-urige werkweek is dan 5 dagen van 8 uur. Dat hoeft echter niet. Op de site van de PO-raad staat dat je ook voor andere roosters kunt kiezen: vier dagen van 8,5 uur en de woensdag 6 uur, of 9 uur op maandag, dinsdag en donderdag, 6 uur op woensdag en 7 uur op vrijdag.
Maar welk rooster je ook kiest, het heeft consequenties voor de werkverdeling.
Afgesproken is dat de werkgever voor de zomervakantie met de individuele werknemer afspraken maakt over de werkdagen waarop de werknemer is ingeroosterd voor de lestaken en alle andere taken. Voor werknemers met een fulltime dienstverband is de invulling van het rooster eenvoudig: 5 dagen per week en dat gedurende 41,4 weken per jaar. De meeste leerkrachten hebben echter een parttime dienstverband. Hun huidige werktijdfactor wordt daarom omgezet naar uren en minuten per week. Voor een werktijdfactor van 0,6215 (2 hele dagen + de woensdag) geldt vanaf 1 augustus 2015:

    • 0,6215 x 40 uren = 24,86 uur per week
    • 0,86 x 60 minuten = 52 minuten

Een leerkracht die nu een werktijdfactor heeft van 0,6215 heeft vanaf 1 augustus 2015 een werkweek van 24 uur en 52 minuten en dat gedurende 41,4 weken.

Wat gaat dit betekenen?

320Geke-van-lexmond-adviseur-Leeuwendaal-Planning-controlOp papier ziet het er allemaal simpel uit. De invoering van de 40-urige werkweek zal in de praktijk van alledag wat weerbarstiger zijn. Het grootste verschil met het huidige systeem is het aantal werkweken voor de leerkrachten. Dat worden er beduidend meer dan nu het geval is, zeker als een school gekozen heeft voor het 940-uursmodel met meer dan 24 lesuren per week. De leerlingen gaan in dit model minder dan 39 weken naar school, soms zijn er zelfs maar 37 lesweken. Voor de leerkrachten zijn er dan 2,5 tot 4,5 lesvrije werkweken en is er tijd om allerlei andere niet- lesgevende taken uit te voeren. Een deel van deze weken zal worden ingevuld door studiedagen, net als nu het geval is, maar het overgrote deel van deze dagen is beschikbaar voor persoonlijke ontwikkeling, administratie, rapporten en handelingsplannen schrijven, voorbereiden projecten en/of volgend semester/schooljaar, onderzoek nieuwe methoden, enz. enz. De leerkrachten krijgen vanaf dit jaar de opdracht het werk te spreiden en taken die even kunnen wachten, te laten liggen tot de dagen waarop er geen les gegeven hoeft te worden.
Kinderen vrij – leerkrachten vrij (op de studiedagen na) geldt niet meer vanaf 1 augustus 2015.

Maar wat gaat dat nu echt betekenen?

We nemen als voorbeeld een school met een 940-uursrooster verdeeld over 4 x 5,5 lesuren en 1 x 3,5 uur les per week. De leerlingen gaan effectief bijna 37 weken naar school (940/25,5). De school heeft met het team het volgende werkrooster afgesproken: maandag, dinsdag en donderdag 9 uur, woensdag 6 uur en vrijdag 7 uur.
Twee leerkrachten doen samen groep 5. De een werkt elke maandag en dinsdag en een keer per twee weken op woensdag, de ander op de andere woensdag en elke donderdag en vrijdag. Hun werktijdfactor is een paar jaar geleden vastgesteld op 0,5376 (5,5 + 5,5 + (1/2 x 3,5) = 12,75.

12,75 x 39,2 / 930 = 0,5376).
Hun werktijdfactor wordt straks omgerekend naar de 40-urige werkweek.
0,5376 x 40 weken = 21,50 uur per week
0,50 x 60 minuten = 30 minuten
Beiden werken vanaf 1 augustus 2015 dus 21 uur en 30 minuten per week, gedurende 41,4 weken.
Beiden hebben ongeveer 37 lesweken en 4,5 lesvrije werkweken.

De leerkracht die de eerste helft van de week werkt, is over twee weken gerekend gemiddeld 9 + 9 21 uur ingeroosterd (9+9+3), de leerkracht die in de tweede helft van de week voor de groep staat, is gemiddeld 19 uur (3+9+7) per week ingeroosterd.
Hun lessentaak is gelijk, maar de een zal minder uren per week op een voor haar geschikt moment kunnen invullen dan de ander.
Bij een vacature voor de maandag tot en met de woensdag hoort in een dergelijk rooster vanaf 1 augustus 2015 een werktijdfactor van 21/40= 0,525 en bij een vacature voor de woensdag tot en met de vrijdag een werktijdfactor van 19/40= 0,475.Daar wordt dan meteen een ‘probleem’ zichtbaar. De leerkracht met een lestaak op maandag tot en met woensdag heeft evenveel lesuren als een leerkracht met een lestaak van woensdag tot en met vrijdag. Beiden staat 12,75 uur voor de klas. Toch heeft de ene leerkracht een kleinere betrekking dan de ander en hij kan daarom minder taken uitvoeren dan de leerkracht met een wtf van 0,525.
Dat gaat zeer waarschijnlijk wrijvingen opleveren.

Kan het ook anders?

Het meest gemakkelijke is 5 dagen van 8 uur met elke dag een wtf van 0,2. Zeker op scholen waar het 5-gelijke dagenmodel is ingevoerd, zal deze verdeling gaan gelden. Veel scholen hebben echter nog een rooster met een vrije woensdagmiddag en blijven dit de komende jaren ook nog hanteren. Mijn advies is dan: hou het simpel. Ga uit van 4 dagen van 8,5 uur en 1 dag van 6 uur. De bijbehorende werktijdfactoren worden dan 0,2125 en 0,15. De werktijdfactor in het voorbeeld hierboven wordt dan: 0,2125 + 0,2125 + (1/2 x 0,15) = 0,5.
Dat er vervolgens op de ene dag wat langer gewerkt wordt dan op een andere dag, dat is een kwestie van goede afspraken met elkaar maken over de taakverdeling. Bij een uurtje langer doorwerken is er geen sprake van overwerk.

Basis- of overlegmodel

Alleen voor de leerkracht met een fulltime dienstverband heeft de keuze voor het overlegmodel consequenties. Blijft de school het huidige model hanteren, dan kan de leerkracht maximaal 930 lesuren per jaar ingeroosterd worden en zullen een aantal lesdagen overgenomen worden door een collega, net als nu het geval is. Parttimers hebben, op een enkele uitzondering na, een wtf gebaseerd op de lesgevende taak en zij komen al jaren niet meer in aanmerking voor compensatieverlof.
Gaat de school over naar het overlegmodel, dan zou de leerkracht met een fulltime dienstverband zo’n 1000 lesuren per jaar ingeroosterd kunnen worden. Er blijven dan nog 659 uren over voor andere taken. Hiervan is 80 uur beschikbaar voor individuele professionalisering en 40 uur voor duurzame inzetbaarheid, waardoor er 659 – 120 = 539 resteren.
De cao-partners hebben afgesproken dat wanneer gekozen wordt voor het overlegmodel er eveneens een opslagpercentage (tussen 35 en 45) moet worden vastgesteld. Bij de maximale opslagfactor zijn 450 uur (45% van 1000) van de resterende 539 uur nodig voor het voor- en nawerk, ofwel de huidige lesgebonden taken. Veel uren voor de overige taken blijven dan niet over. Omgerekend naar de werkweek betekent dit dat wanneer er alle dagen lesgegeven wordt, weinig uren overblijven voor overige taken. De leerkracht met een volledige betrekking staat 25,5 uur voor de klas. 45% opslag is ruim 10 uur. Er blijven dan nog een kleine 4,5 uur per week over voor andere taken. De meeste andere taken zullen dan ook uitgevoerd moeten worden op dagen dat de leerlingen vrij zijn. Maar, en daar gaat het juist om, daar zijn die dagen ook voor. In het voorbeeld met 25,5 lesuren per week en 940 lesuren per jaar gaat het om zo’n 22 dagen per schooljaar.
De opslagfactor kennen we nu ook al. Bijna alle scholen hebben een percentage vastgesteld voor de lesgebonden taken dat rond de 37,5% ligt. Met andere woorden: voor de meeste personeelsleden zal de keuze voor het andere model in de praktijk nauwelijks consequenties hebben. Want hoewel straks (op schoolniveau) in overleg met de PMR en met instemming van minstens de helft van het personeel moet worden vastgelegd wat onder de opslagfactor valt, is dat toch niet nieuw. Nu is ook vastgelegd wat onder voor- en nawerk of lesgebonden taken wordt verstaan en ook nu moet de PMR instemmen met het taakbeleid. Dat minimaal de helft van het personeel eveneens moet instemmen, is een wassen neus. Ook nu zal géén PMR iets doordrukken waar het personeel niet achter staat.
Consequenties gaat het pas hebben als de school voor ieder personeelslid een eigen opslagfactor gaat hanteren. In artikel 2A.14, lid 4 staat nl.: “De werkgever maakt jaarlijks vóór de zomervakantie met de individuele werknemer schriftelijk afspraken over de werkdagen, het aantal lesuren of lesgebonden en/of behandeltaken, de opslagfactor, professionalisering en overige taken. De individuele opslagfactor wordt vastgesteld op basis van met de PMR vastgesteld beleid.”
Op de sites van de cao-partners is te lezen dat dit vast te stellen beleid wordt gebaseerd op onder meer de criteria: groepsgrootte, zorgleerlingen en belastbaarheid en ervaring van werknemers.
Dit zou een lastige kunnen worden. Waar leg je de grens? Wat is een grote groep en wie bepaalt hoe belastbaar iemand is? In het voortgezet onderwijs is er al jaren eenzelfde discussie aan de gang. Moet de opslagfactor voor het vak Nederlands gelijk zijn aan de opslagfactor voor het vak Bewegingsonderwijs? Daar kiest men na al die jaren in grote meerderheid nog steeds voor dezelfde opslagfactor voor alle vakken.
Ik zou me daarom voorlopig verre houden van de discussie over individuele opslagfactoren en eerst aan de slag gaan met het vaststellen en zinvol invullen van alle lesvrije werkdagen.

Geke Lexmond

Contact

Geen resultaten.