Aanvullende en nawettelijke uitkering gemeenteambtenaar

Een gemeenteambtenaar die ontslag krijgt op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO (‘overige gronden’) heeft naast een WW-uitkering in beginsel recht op een aanvullende uitkering. Hij heeft ook recht op een nawettelijke uitkering, als de ontslagreden in de werksfeer ligt en het ontslag niet grotendeels aan hem te wijten valt. Dit blijkt uit een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep.

Het recht van de medewerker

In de zaak waarin de Centrale Raad op 19 januari 2015 uitspraak deed, was er volgens de Raad geen aanleiding om de medewerker de nawettelijke uitkering te onthouden. Het ontslag was gelegen in de werksfeer en het was niet grotendeels aan de medewerker te wijten. Hij had namelijk, nadat was gebleken dat hij niet de juiste man op de juiste plek was, altijd inzet en betrokkenheid getoond. Hij had bovendien zeer zijn best gedaan om een andere baan te vinden, gebruikmakend van de re-integratiefaciliteiten die hem ter beschikking werden gesteld.
Nawettelijke-uitkering-gemeenteambtenaar-LeeuwendaalDe gemeente had weliswaar voldoende re-integratie-inspanningen verricht, de kosten van het loopbaancoachingstraject voor haar rekening genomen en het salaris van de medewerker doorbetaald, maar dat alles deed volgens de Raad niets af van het recht van de medewerker op een na-wettelijke uitkering. Ook het feit dat er slechts van een kort dienstverband sprake was geweest, veranderde daar niets aan.
De Raad wijst erop dat er aanleiding kan zijn om bovenop de bovenwettelijke werkloosheidsuitkeringen een compensatie toe te kennen volgens de bekende CRvB-formule: bruto maandsalaris inclusief vakantietoeslag x (aantal dienstjaren: 2) x wegingsfactor. Dit is aan de orde als er sprake is van een overwegend aandeel van de werkgever in het ontstaan en voorbestaan van de onhoudbare situatie die de aanleiding voor het ontslag vormt. 

Meer duidelijkheid

Ontslag ‘op overige gronden’ wordt verleend in geval van verstoorde verhoudingen of een ‘impasse’. Volgens de meeste rechtspositieregelingen binnen de overheid heeft een ambtenaar bij een dergelijk ontslag minimaal recht op een WW-uitkering en een volledige bovenwettelijke werkloosheidsuitkering, bestaande uit een uitkering die de WW-uitkering aanvult en vervolgens een uitkering na afloop van de WW-periode. Deze minimumgarantie werd in de gemeentelijke sector echter in juli 2008 geschrapt. Volgens de CAR/UWO moet de gemeente een ‘passende regeling’ treffen. Daarbij moet zij zich – ‘voor zover redelijk en billijk’ – houden aan hoofdstuk 10d van de CAR/UWO (over het van-werk-naar-werk traject en de bovenwettelijke werkloosheiduitkering). Maar tot voor kort was het onduidelijk welke criteria de Centrale Raad van Beroep hanteert om te beoordelen of een toegekende regeling voor een gemeenteambtenaar passend is. Deze uitspraak, waarbij de Centrale Raad zich baseert op de desbetreffende LOGA-brief (Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden), schept meer duidelijkheid.
Overigens wordt in de toelichting van de CAR/UWO over het treffen van een passende regeling opgemerkt dat de exacte hoogte en duur van de bovenwettelijke uitkeringen mede afhankelijk zijn van de overige ‘afspraken’ die rond het ontslag gemaakt zijn. Dat wekt de indruk dat uitruil mogelijk is met andere componenten. Hoe de Centrale Raad daar tegenaan kijkt, is vooralsnog niet duidelijk.

Zie voor de volledige uitspraak: CRvB 19-1-2015, ECLI:NL:CRVB:2015:216